Tijd voor een groen Plan van de Arbeid

(gepubliceerd in Socialisme en Democratie, nr. 9/10, 2012, p 74-77)

Wil een sociaaldemocratisch program werkingskracht krijgen, dan moet het door concrete inhoud maatschappelijke krachten mobiliseren. In deze periode van economische en politieke stagnatie stuitte ik op een aantal relevante studies die daarvoor materiaal aandragen.

Allereerst is de kritiek op het marktdenken van belang. De Amerikaanse journalist Robert Kuttner (in mei 2011 inleider op een WBS-bijeenkomst Why is neo-liberalism an economic failure and a political success?) redeneert dat het liberale marktdenken in het voetspoor van Adam Smith uitgaat van allocative efficiency als gevolg van de ombelemmerde werking van vraag en aanbod - ten onrechte. Joseph A. Schumpeter legde terecht de vinger bij technologische vooruitgang als drager van welvaart. Innovatie is de voornaamste bron van economische groei en veel innovaties in de Verenigde Staten zijn spin off van overheidssturing. Kuttner geeft bedrijfstakgewijs aan waar marktdenken functioneert en waar second-best oplossingen te prefereren zijn. Het heeft weinig zin de reëel bestaande economie op het Procrustesbed van het marktliberalisme te leggen. Er zijn andere vormen van maatschappelijke controle nodig. “A second best market typically has second-best forms of accountability – professional norms, government supervisions, regulation, and subsidy – to which market forces have adapted.” (p. 19).

Kuttner concludeert dat er veel markten zijn waar de consument niet soeverein is - in de telecommunicatie, bij nutsvoorzieningen, de bankwereld, de luchtvaart en bij voedsel en medicijnen. De werking van de markt leidt daar tot maatschappelijk ongewenste uitkomsten, zoals de ongelijke behandeling van mensen in de gezondheidszorg, laat milieuvervuiling buiten beschouwing, leidt tot ongelijke kansen in het onderwijs, en resulteert in grote inkomensverschillen. In die gevallen is bij een louter beroep op inefficiënte marktdiscipline zowel de consument als de samenleving slechter af dan het alternatief van een combinatie van marktwerking en interventie via regelgeving.

De Australische sociaal-democratische hoogleraar John Quiggin confronteert het marktliberalisme in Zombie Economics, how dead ideas still walk among us (2010) met de ideologische pretenties van het neoliberalisme met het praktische resultaat na dertig jaar. Het boek maakt internationaal een grote opgang; vertalingen zijn inmiddels verschenen in Italië, Griekenland, Portugal, Frankrijk, Zuid-Korea en China. In mei 2012 verscheen een geactualiseerde Australische editie. De belangrijkste politieke conclusie van Quiggin loopt parallel aan die van Kuttner: de aantrekkelijkheid van het economisch liberalisme is haar simpelheid en eenvoud. Het liberale mantra is: minder overheid, deregulering. Liberalen zoeken de oplossing voor de huidige crisis van het marktliberalisme in wat haar veroorzaakte: minder overheid, minder politieke beïnvloeding van het economisch leven.

Maar als sociaaldemocraten andere opvattingen tot gelding willen laten komen, dan volstaat het niet te wijzen op de tekortkomingen van het economisch liberalisme. ‘It is necessary to provide an alternative to the zombie economics of market liberalism’, schrijft Quiggin (p. 206). En dat begint met de erkenning van de cruciale rol aan de overheid in het beheersen van maatschappelijke risico’s. De maatschappij kan risico’s beter delen en beheersen dan het individu dat kan. Ongelijkheid speelt daarbij overigens een perverse rol. ‘Inequality particularly encourages a search for opportunities to capture the benefits of risky actions while shifting the costs onto others, or onto society as a whole’(p. 208). De overheid heeft daarom een taak ‘to mitigate inequalities in both opportunities and outcomes’.

Toekomstvisie
Maar aandacht voor de rol van de overheid volstaat niet. Zoals SDAP en NVV reageerden op de economische crisis van de jaren dertig met het Plan van de Arbeid, zo zal ook de hedendaagse sociaaldemocratie een actueel perspectief voor de middellange termijn moeten schetsen. Die visie dient geënt te zijn op een verkenning van wat ons de komende decennia te wachten staat. Een aantal studies kunnen ons op weg helpen.

De eerste is een in 2000 verschenen publicatie van de Amerikaanse socioloog en ecoloog John Bellamy Foster, Marx’s Ecology. Van de vele recente studies en biografieën die Marx bevrijdden van leninistische stereotyperingen, is dit één van de belangrijkste. Foster verheldert de visie van Marx op de mens als soort, die zich van andere levende wezens onderscheidt door hersens, taal en gereedschappen. Door bewerking van de aarde maakt de mens zich los van het dierenrijk. Marx is volgens Foster op zoek naar ‘a sustainable relation between human beings en nature through the organisation of production that took into account the metabolic relation between human beings and the earth’(p. 138). Hij legt zo de vinger bij de ‘metabolic rift’, de uitputting van de landbouwgronden, in combinatie met vervuiling van in omvang toenemende steden.

Marx had volle aandacht voor de ‘tweede agrarische revolutie’, waarin het belang van stikstof, fosfor en kalium werd ontdekt; hij volgde de strijd om de Peruaanse meststof guano en Chilisalpeter nauwgezet. De aarde werd geplunderd en de voorwaarden voor reproductie ondermijnd. Grondstoffen en bodem van kolonies werden geroofd ten dienste van de industrialisatie van de kolonisatoren. De gehele geest van de kapitalistische productie, gericht op het maken van winst op korte termijn, staat haaks op een landbouw waarin aandacht is voor de permanente levensvoorwaarden ten bate van de keten van menselijke generaties. Mensen zijn niet de eigenaren van de aarde; zij zijn gebruikers die de aarde in een verbeterde staat moeten nalaten aan volgende menselijke generaties, als boni patres familias.

In haar prachtige, historiserende studie over de menselijke eetbeschaving De Hongerige Stad (2011) heeft Carolyn Steel dit verhaal geactualiseerd. Jaarlijks wordt naar schatting 1,7 miljoen hectare regenwoud in het Amazonegebied geüsurpeerd ten behoeve van nieuwe landbouwgrond en gaan 20 miljoen hectare bestaande landbouwgrond verloren aan verzilting en erosie. De moderne landbouw leidt tot ontbossing, bodemerosie, uitdroging, vergiftiging en vervuiling. En waarvoor? Voor een overvloed aan goedkoop en dikmakend voedsel. Met de tegenwoordig aangevoerd hoeveelheid voedsel kunnen Amerikanen twee keer gevoed worden. Kinderen worden permanent belegerd met reclameboodschappen, scholen worden ingezet als ‘vehicles for selling “junk” foods high in calories but low in nutritional value’, zo stelt de Amerikaanse voedselkundige Marion Nestle in Food Politics. How the food industry influences nutrition and health (2002). 'Food companies will make and market any product that sells, regardless of its nutritional value or its effect on health. In this regard, food companies hardly differ from cigarette companies.' (p. viii). De voedselindustrie ging de strijd aan tegen de officiële ’Food Guide Pyramid’, met zijn nadruk op het belang van brood, groenten en fruit, matiging van het gebruik van vlees, zuivel en eieren en het tegengaan van vet en suiker. Wat als gezond kan worden gepresenteerd, is inmiddels inzet van een hevige belangenstrijd.

Maar de conclusie is onvermijdelijk dat mensen teveel slecht voedsel eten, en dat de landbouw door de inzet van fossiele brandstoffen bij de productie, het gebruik van de benodigde pesticiden en het transport over grote afstanden niet duurzaam is: ‘Voor elke calorie voedsel die er wordt geproduceerd, worden ongeveer tien calorieën opgebrand in de vorm van fossiele brandstoffen’, schrijft Steel (p. 56). De eindigheid van de fossiele brandstoffenvoorraad en de afhankelijkheid van steden van aanvoer van voedsel nopen tot een herformulering van zowel landbouw- als voedselbeleid.

Duurzame economie?
Nog niet beïnvloed door de economische crisis verscheen in 2008 van de Duitse econoom Bernd Meyer Wie muss die Wirtschaft umgebaut werden? Perspektiven einer nachthaltigeren Entwicklung. Neo-klassieke economen denken dat duurzaamheid op één terrein ingewisseld kan worden voor duurzaamheid op een ander terrein. Maar duurzaamheid, zo laat Meyer zien, kent drie dimensies: het gaat om het bewaren en bevorderen van Naturkapital, Wirtschaftskapital und Sozialkapital. De mensheid staat voor de uitdaging te komen tot een dramatische ontkoppeling van economische groei en het verbruik van grondstoffen. Een innovatieve duurzaamheidpolitiek, gericht op de toekomst, kan bovendien de concurrentiepositie van Duitsland versterken, houdt Meyer zijn lezers voor. Daartoe analyseert hij in welke mate bedrijfssectoren van de industrienatie Duitsland grondstoffen verbruiken. Vier clusters steken er bovenuit: de energiecluster, de metaalverwerking, de bouwsector en als vierde de sector van de biomassa, de landbouw, voeding en genotmiddelenindustrie. Om het grondstoffenverbruik te verminderen is de ontwikkeling van materiaalbesparende technologie cruciaal. Nanotechnologie, biotechnologie, regeneratieve energietechniek en de inzet van informatie- en communicatietechnologie in het productieproces zijn daartoe noodzakelijk.

Voor het handelskapitalistisch ingestelde Nederland is het verrassend te zien dat Duitsland zich om industriepolitieke redenen actief met duurzaamheidpolitiek bezig houdt. Het belang daarvan wordt duidelijk uit de studie van de Engelse econoom Tim Jackson, Welvaart zonder groei. Economie voor een eindige planeet (2010). In reactie op de economische crisis van 2008 werden wereldwijd stimuleringspakketten afgekondigd. Landen vulden die verschillend in. Ruim 15 procent van de stimuleringsmaatregelen kan worden aangemerkt als ‘groen’, met de nadruk op verduurzaming (koolstofarme voertuigen, schone energie, recycling), levenskwaliteit, milieubescherming, inclusief waterbeheersing en infrastructuur (IT en groene vervoersnetwerken). De groene investeringen betroffen 37,8 procent van het Chinese stimuleringspakket van $ 586,1 miljard, 80,5 procent van de $ 38,1 miljard van Zuid-Korea, 13,2 procent van de $ 104,8 miljard van Duitsland en 21,2 procent van de $ 33,7 miljard van Frankrijk. De andere EU-landen kwamen daar ver achteraan; Nederland behoorde tot de categorie ‘andere EU-landen’ die van hun $ 308,7 miljard precies twee procent aan ‘groene’ maatregelen besteedden.

In een recent rapport van Planbureau voor de Leefomgeving, Voorwaarden voor vergroening van de economie in Nederland (2012) komt dat beeld op een wat andere wijze terug. Groene groei is in een aantal landen het stadium van ‘idee’ ontstegen. Zuid-Korea, Denemarken, Duitsland en China werken hard aan de vergroening van hun economie. Zij verminderen hun afhankelijkheid van fossiele brandstoffen (olie). Afgemeten aan het aandeel van schone-energie-technologie vormen Denemarken, Duitsland en China de top drie. Haaks op die ontwikkeling staat de ontwikkeling in Nederland, waar de verkopen van hernieuwbare energietechnologie in 2011 afnam met 14 procent. Meyer benadrukt het strategisch voordeel dat Duitsland aan duurzaamheidpolitiek kan ontlenen, men beschikt daar straks over geavanceerde technologie. Willen we in dit land in economisch opzicht meedoen en bijblijven, dan kan Nederland niet volstaan met achterover te leunen op zijn liberale handelstradities. Net als in de jaren dertig en vijftig is het aan de sociaal-democratie een gerichte toekomstvisie op economische en ecologische ontwikkelingen te formuleren. Nodig is een nieuw, groen en actueel Plan van de Arbeid.

Bertus Mulder

Robert Kuttner, Everything for sale. The virtues and limits of markets, New York, 1998.
John Quiggin, Zombie Economics. How dead ideas still walk among us, Princeton, 2010.
John Bellamy Foster, Marx’s Ecology. Materialism and Nuture, New York 2000.
Carolyn Steel, De Hongerige Stad. Hoe voedsel ons leven vormt. Rotterdam, 2011.
Marion Nestle, Food Politics. How the food industry influences nutrition and health , Berkeley, 2002.
Bernd Meyer, Wie muss die Wirtschaft umgebaut werden? Perspektiven einer nachthaltigeren Entwicklung, Frankfurt am Main, 2008.
Tim Jackson, Welvaart zonder groei. Economie voor een eindige planeet, Utrecht, 2010
Planbureau voor de Leefomgeving, Voorwaarden voor vergroening van de economie in Nederland (2012)